|



|
We werken in het platte vlak in reliëf dus volgens de
zandgiet methode. En niet Cire perdue (verloren wasvorm)
Als vormmateriaal wordt vormzand of Brusselse aarde gebruikt, een
fluweelzacht bruin poeder, dat door aanstampen stevig samenkoekt en scherp
afvormt. .In de gietkast wordt een laag vormzand gestort op een vlakke
ondergrond. Het fluwelige vormzand blijft dan als een stevige koek in de
vormkast vast- zitten, terwijl het ontwerp eruit gelost kan worden
Brons is een legering van koper en tin; soms wordt ook
zink bijgevoegd. Tin maakt het gietsel harder, glansrijker en beter
smeltbaar.
Bij 33% tin wordt de
kleur grijzer,
bij 15% tin is de
legering taai en enigszins smeedbaar.
Bij 35% tin is de
legering broos,
maar
bij 50% wordt het mengsel weer taaier. Voorbeeld van zo'n legering,
waargenomen bij het beeld van Henri IV (Pont Neuf te Parijs): 90% koper, 4%
zink, 5,5% tin en 0.5% lood. Het
klokkenbrons dat hard moet zijn omwille van de welluidendheid: 80% koper,
20% tin. Medaillebrons: 8- tot 12% tin plus somtijds kleine hoeveelheden
zink en lood. Bronzen voorwerpen uit Assyrië en Griekenland (kapitelen,
wapenrustingen, meubels) wijzen erop, dat men al vroeg verschillende
alliages kende. Korinthe en Delos waren bekend om hun metaalgieterijen.
Phidias, Myron, Skopas en Ageladas waren beroemde bronsgieters. De techniek
in Europa en Azië was in principe gelijk. Alleen samenstelling van het vorm
materiaal en de alliages verschilden. De bronsgietsels uit de oudheid, in
de renaissance en tot in het midden van de 19de eeuw, waren gewoonlijk glad
van huid. Onder invloed van het impressionisme kwam in de vorige eeuw de
neiging schilderachtiger en ruiger te werken. Vooral door de mogelijkheden
die gelatine en rubbervormen bieden, kan men van voorwerpen die veel oneffenheden
bezitten en slecht lossend zijn, scherpe wasgietsels maken die op hun beurt
correct kunnen worden afgevormd en in brons gegoten. Omdat brons taaier en
sterker is dan steen is men in de compositie zeer vrij. klik hier om meer te lezen
|